Op een sportclub stellen we eisen aan allerlei taken. Maar wie een groep kinderen traint, hoeft vaak geen pedagogische kennis te hebben. Opmerkelijk, vindt André de Jeu, directeur van Vereniging Sport en Gemeenten. Want op de sportclub leren kinderen meer dan een sport. Nicolette Schipper-van Veldhoven, lector Sportpedagogiek aan Hogeschool Windesheim, doet daar al jaren onderzoek naar. Sport is, naast thuis en school, een belangrijk opvoedingsmilieu. Dat vraagt om trainers die weten wat ze doen én om clubs en gemeenten die hen daarbij helpen.
André gebruikt graag de vergelijking met school. Stel, je brengt je kind op maandagochtend naar de basisschool. De directeur komt naar buiten en zegt: we hebben geen leerkracht gevonden. Wil een van de ouders vandaag rekenen en taal geven?
“Dan denk je toch: hier laat ik mijn kind niet achter?” zegt André. “Maar bij een sportvereniging vinden we het normaal als een willekeurige vader of moeder een groep kinderen traint. Natuurlijk gaat dat vaak goed. Maar waarom stellen we daar zo weinig eisen aan? Zeker als je bedenkt hoeveel tijd kinderen op een sportclub doorbrengen.”
Zonder sociale veiligheid leert geen enkel kind” – Nicolette Schipper- van Veldhoven
Het derde opvoedingsmilieu
Op een sportclub leren kinderen meer dan een sport. Ze leren samenwerken, omgaan met winst en verlies, doorzetten en hun plek vinden in een groep. Juist daarom is het pedagogisch sportklimaat zo belangrijk: kinderen moeten zich veilig, gezien en gesteund voelen om zich te kunnen ontwikkelen. Zowel op sportgebied als in levensvaardigheden. “Zonder sociale veiligheid leert geen enkel kind”, zegt Nicolette.
Hoe een kind sport beleeft, heeft invloed op hoe het naar zichzelf kijkt. Ben ik ergens goed in? Hoor ik erbij? Durf ik iets nieuws te proberen? Wat er op het sportveld gebeurt, werkt daardoor verder door dan de training alleen. “Je verkent de wereld door je lichaam. Het is eerst grijpen en dan begrijpen.”
Maar sport pakt niet vanzelf positief uit. “Sport is in zichzelf neutraal”, zegt Nicolette. “Wat je ervan maakt, bepaalt of een kind positieve of negatieve ervaringen opdoet.” Dezelfde sportclub kan daardoor voor het ene kind een plek zijn om te groeien, terwijl een ander kind er vooral hoort wat er fout gaat of buiten de groep valt. Ook dat neemt een kind mee.
Waarom stoppen ze eigenlijk met sport?
André ziet al jaren hoeveel energie de sportwereld steekt in het aantrekken van jeugdleden. Campagnes, kennismakingslessen, nieuw aanbod. “Prima natuurlijk”, stelt hij. “Maar probeer eerst eens de kinderen die je binnen hebt, binnen te houden. Wie zich thuis voelt op een club, blijft vaak langer sporten.”
Want zodra kinderen ouder worden, haakt een deel af. “Natuurlijk veranderen interesses. Maar weet je als vereniging wel waarom een kind stopt? Voer eens een exitgesprek. Daar kun je veel van leren.”
De trainer maakt het verschil
Kinderen willen volgens Nicolette natuurlijk iets leren. Beter leren voetballen, zwemmen of turnen. Maar ze vinden het net zo belangrijk dat dat in een fijne sfeer gebeurt. Dat een trainer hen kent, merkt wanneer er iets speelt en ruimte geeft om veilig te oefenen en fouten te maken.
De coach speelt een sleutelrol in een pedagogisch sportklimaat. Naast het hebben van technische kennis, moet hij een band kunnen opbouwen, een groep begeleiden en gedrag begrijpen. Daarvoor heeft Hogeschool Windesheim het Jeugdsportkompas ontwikkeld. Dit is een praktisch instrument dat gericht is op het creëren van een ontwikkelingsgericht-, motivationeel, zorgzaam en sociaal veilig sportklimaat.
Nicolette is inhoudelijk betrokken bij het gedachtegoed achter SuperCoaches. “De training geeft jeugdtrainers praktische handvatten om beter te kijken naar wat er in een groep gebeurt en naar de eigen reactie daarop. Je leert kijken naar wat er achter bepaald gedrag zit. Je stelt vragen als: waarom gebeurt dit? Wat heeft dit kind nodig? En wat kan ik zelf anders doen?” Het leert de jeugdtrainers hoe je een zorgzaam en sociaal veilig sportklimaat kunt vormen.
André kiest daarbij liever voor uitnodigen dan voor met het vingertje wijzen. “Zeg niet tegen een trainer: jij moet weer een cursus volgen. Zeg: ik ga jou helpen om voor deze groep de leukste trainer van Nederland te zijn.”
Een trainer die begrijpt wat er in een groep gebeurt, hoeft niet steeds terug te vallen op corrigeren of straffen.” – Nicolette Schipper- van Veldhoven
‘We zijn al blij dát iemand training geeft’
Verenigingen draaien grotendeels op vrijwilligers. Veel clubs zijn allang blij als iemand op woensdagmiddag of zaterdagochtend een jeugdteam wil begeleiden. Moet je dan ook nog eisen stellen?
Nicolette draait die vraag liever om: “Waarom zou je iemand zonder ondersteuning voor een groep zetten en hopen dat het goed gaat? Kennis maakt het werk juist makkelijker. Een trainer die begrijpt wat er in een groep gebeurt, heeft meer mogelijkheden als kinderen niet luisteren, ruzie maken of afhaken. Die hoeft niet steeds terug te vallen op corrigeren of straffen. Je doet dit dus ook voor de trainers.”
Maar één enthousiaste trainer of één training verandert nog geen club. Als de rest van de vereniging een andere koers vaart, staat die trainer alleen. Daarom moet de club als geheel nadenken over vragen als: hoe gaan we hier met kinderen om? Wat verwachten we van trainers? En welke steun geven we hen daarbij?
Ook de gemeente heeft een rol
Voor André stopt de verantwoordelijkheid niet bij de vereniging. Hij vindt het vreemd dat gemeenten miljoenen investeren in accommodaties en daarna nauwelijks iets vragen over het klimaat binnen de club. “Dan geef je dat aan die vereniging en zeg je eigenlijk: zoek het uit.”
Volgens André begint het bij het ondersteunen en verleiden van clubs. Maar vrijblijvend hoeft het op termijn niet te blijven. Gemeenten mogen volgens hem ook voorwaarden stellen aan verenigingen die gebruikmaken van gemeentelijke sportvoorzieningen.
Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Bespreek het pedagogisch sportklimaat in gesprekken met clubs en stimuleer goede trainersbegeleiding. Breng SuperCoaches onder de aandacht en maak aan het begin van het sportseizoen afspraken waar je later samen op terugkomt.
Nicolette ziet het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid. “Een trainer kan morgen zelf al iets anders doen. Maar voor blijvende verandering heeft die trainer ook het bestuur, ouders, bonden en gemeente nodig. Het moet cultuur zijn. Anders blijft het bij één persoon.”
Maar hoe weet je of het goed gaat?
Bijna iedere vereniging zegt dat kinderen er veilig en met plezier moeten sporten. Maar ervaren kinderen dat zelf ook zo? De Sportklimaat Schaal geeft daar inzicht in. Dit is een recent ontwikkeld meetinstrument, gebaseerd op het Jeugdsportkompas, waarin trainers en sporters vragen beantwoorden over wat er tijdens trainingen gebeurt.
Nicolette geeft een eenvoudig voorbeeld: “Een trainer kan zeggen: ik geef mijn spelers heel veel complimenten. Vervolgens vraag je de kinderen: geeft jouw trainer veel complimenten? En die antwoorden misschien iets heel anders. Juist dat is interessant. Het opent het gesprek: hoe zie ik mezelf? Hoe ervaren kinderen mij? En waar wil ik mij verder in ontwikkelen?”
Voor gemeenten maakt de Sportklimaat Schaal zichtbaar wat er binnen verenigingen speelt en wat een aanpak oplevert. Een meting vóór en na een training als SuperCoaches laat bijvoorbeeld zien of het sportklimaat op het sportveld verandert.
‘Zo doen we dat hier’
André hoopt dat aandacht voor een pedagogisch sportklimaat straks net zo vanzelfsprekend is als andere afspraken binnen de sport. Hij ziet het bord bij de ingang van een sportpark al voor zich: zo doen we dat hier. “En daar staat dan op: gezonde kantine, rookvrije omgeving, pedagogisch-didactisch klimaat. Ik zou dat graag geborgd zien.”
Want daar draait het om: het kind dat op dinsdagavond het veld opkomt. Dat misschien geen topsporter is. Dat soms lastig gedrag laat zien, een wedstrijd verliest of buiten de groep dreigt te vallen. En dat juist dit kind op de sportclub veel meer leert dan sporten alleen.
De vraag is dan: in wat voor omgeving sporten kinderen in jouw gemeente?



